DE ROLDERS IN DE NACHT
J. De Lepeleire, 1954

Iedereen slaapt, het is rustig, het is nacht.
Een smalle straat, een lantaarn, 't lijkt verdacht:
Geen pandoeren, slechts de stilte houdt de wacht
Plots het brullen van de rolders in de nacht:
Ohohohohohoho  Ohohohohohoho 
Want immer gaan de rolders op de zwier,
Want zij blijven steeds maar
Dorsten naar het bier
Ohohohohohoho  Ohohohohohoho 

En gij zijt mijnen allerbeste vriend,
Zo nen chikken tip heb ekik nog niet gekind:
Doevei drinke w'oep aaf gezondheid nog een pint,
Want dat hedde nondedoeme dik verdiend!
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 
En wijle gon met ons getwee op de rol en ons pinten moeten
Op de slag terug vol!
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 




Bij Margot was er overlest bagaar
Daar was ambras en dat ambeteerde haar,
Ze werd koleirig en ze deed geweldig raar:
't Was terug zover want de pandoeren waren daar!
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 
En toen heeft Margot haar caféke toegedaan
En haar Vlaamse jongens zijn toen
Op een ander moeten gaan!
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 

Daar laveert nog een eenzaat door de stad,
Hij is bedronken, hij is bezopen, stapelzat,
Zijn lijf zit vol alkohol en gerstenat 
En hij piert op de kasseien van de stad!
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 
En nu ligt hij daar te slapen in de straat,
En niemand die heeft kompassie
't Is (maar) ne zatte kameraad
Ohohohohohoho  Ohohohohohohoho 