De Vlaamsche Leeuw

1.
Zij zullen he niet temmen,
De fiere Vlaamse Leeuw,
Al dreigen zij zijn vrijheid
Met kluisters en geschreeuw
Zij zullen hem niet temmen
Zolang één Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen,
Zolang hij tanden heeft.
Keerzang:
Zij zullen hem niet temmen
Zolang één Vlaming leeft,
Zolang de Leeuw kan klauwen,
Zolang hij tanden heeft.
2.
De tijd verslindt de steden,
Geen tronen blijven staan!
De legerbenden sneven:
Een vlok zal nooit vergaan.
De vijand trekt te velde,
Omringd van doodsgevaar!
Wij lachen met zijn woede:
De Vlaamse Leeuw is daar.
3.
Hij strijdt nu duizend jaren,
Voor vrijheid, land en God,
En nog zijn zijne krachten
In al haar jeugdgenot.
Als zij hem machtloos denken
En tergen met een schop,
Dan richt hij zich bedreigend
En vrees'lijk voor hen op.
4.
Mijn schilt ende betrouwen
Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen,
Verlaet mij nimmermeer;
Dat ick doch vroom mach blijven.
U dienaer taller stondt,
Die tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.
5.
Oorlof, mijn arme schapen,
Die zijt in grooten noot,
U herder sal niet slapen
Al zijt ghy nu verstroyt;
Tot Godt wilt y begheven,
Sijn heylsaem woort neemt aen,
Als vrome Christen leven.
Tsal hier haest wijn ghedaen.